Sluiten van scholen

Door leerlingendaling is het sluiten van een school soms nodig. Als een school sluit, moet het bestuur altijd in gesprek gaan met ouders en leerkrachten en andere betrokkenen. Zij hebben via de medezeggenschap inspraak bij dit besluit.

Opheffingsnorm voor scholen

Het Rijk stelt een ondergrens aan het aantal leerlingen op een school. Dit heet de opheffingsnorm. Scholen met een leerlingenaantal dat 3 jaar op rij onder de opheffingsnorm valt, verliezen hun bekostiging. Dat betekent bijna altijd dat de school moet sluiten.

Opheffingsnorm basisschool

De opheffingsnorm is niet voor alle basisscholen hetzelfde. Dit is afhankelijk van de leerlingdichtheid in een gemeente. In dichtbevolkte gebieden kan een basisschool met meer dan 200 leerlingen al met sluiting worden bedreigd. Terwijl voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente de minimale norm van 23 leerlingen geldt. Per 1 augustus 2018 gelden deze opheffingsnormen voor het basisonderwijs.

Opheffingsnormen voortgezet onderwijs

Opheffingsnormen in het voortgezet onderwijs zijn afhankelijk van het onderwijsaanbod. Voor elke onderwijssoort geldt een andere norm. Ook scholengemeenschappen kennen (al naar gelang de samenstelling) weer andere normen. Meer informatie staat in de brochure Voorzieningenplanning en regionaal plan onderwijsvoorzieningen.

Rol medezeggenschapsraad bij sluiting

Bij een sluiting geeft de medezeggenschapsraad advies (adviesrecht). Wanneer een besluit gevolgen heeft voor leerlingen en personeel, moet de medezeggenschapsraad toestemming geven (instemmingsrecht).

Veel besturen kiezen ervoor om bij sluiting de school te fuseren met een andere school. In dat geval krijgt de gefuseerde school tijdelijk extra geld. Dit geld kan gebruikt worden om de overgang goed vorm te geven. En bijvoorbeeld personeel op een verantwoorde manier te laten afvloeien. Voor een fusie is instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

Alternatieven voor sluiting basisscholen

Een schoolbestuur van een basisschool met te weinig leerlingen kan soms een beroep doen op een uitzonderingssituatie. De school hoeft dan niet te sluiten. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet het schoolbestuur elk jaar voor 1 februari de opheffing van de school melden bij DUO.

Het gaat om de volgende situaties:

  • Het gemiddeld aantal leerlingen van het schoolbestuur is hoger dan 10/6e maal de gewogen gemiddelde opheffingsnorm van de desbetreffende gemeente/gemeenten. Voorbeeld: is de opheffingsnorm  174 leerlingen, dan is de gemiddelde schoolgrootte 290 leerlingen).
  • De school is de enige van de richting binnen een straal van 5 kilometer. En heeft ten minste 50 leerlingen.
  • De school is de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer over de weg gemeten. En heeft ten minste 23 leerlingen.

Er zijn er nog andere mogelijkheden om een school of vestiging te behouden:

  • Het is mogelijk om na een fusie de school die sluit, verder te laten gaan als nevenvestiging. Deze school krijgt dan wel minder geld. Zie ook de plannen van het kabinet met vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs.
  • Er kan een samenwerkingsovereenkomst met 1 of meer besturen in een aangrenzend gebied worden gesloten. Zoals in artikel 157 van de Wet op het Primair onderwijs staat.
  • Het bestuur kan de school overdragen aan een ander bestuur. Hierdoor kan een beroep op de gemiddelde schoolgrootte worden gedaan.
  • De school kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vragen toch open te mogen blijven. Dit geldt enkel voor basisscholen die in stand worden gehouden op basis van de gemiddelde schoolgrootte. En die onder de ondergrens van 23 leerlingen komen. De minister beoordeelt in dat geval of de kwaliteit van de school in orde is. En of de school in staat is binnen afzienbare termijn boven de 23 leerlingen uit te komen. Ook kan de ligging van de school en de scholen in de omgeving bij het besluit worden betrokken.

Alternatieven voor sluiting in het voortgezet onderwijs

Als scholen uit het voortgezet onderwijs onder de opheffingsnorm vallen, kunnen zij soms een beroep doen op de uitzonderingspositie in artikel 108 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Scholen hoeven dan niet te sluiten. Dit is alleen mogelijk voor heel uitzonderlijke situaties. Voorbeelden zijn:

  • Voor een school op 1 van de Waddeneilanden.
  • Als een voorgenomen fusie vanwege specifieke omstandigheden toch een langere voorbereidingstijd vraagt.

Samenwerking tussen scholen in het voortgezet onderwijs

Samenwerking tussen scholen kan een alternatief zijn voor sluiting. Mogelijkheden:

  • Scholen vormen een netwerk om elkaar te helpen. Denk bijvoorbeeld aan inkoopcombinaties of het HRM-beleid. Ook kunnen ze het onderhoud aan gebouwen en ICT gezamenlijk aanpakken.
  • Scholen werken samen in het primaire proces. Scholen kunnen afspraken maken over het uitruilen van onderwijsaanbod, personeel delen of leerlingen uitbesteden.