Sluiten van scholen

Door leerlingendaling is sluiting van een school soms nodig. Het bestuur moet daarover altijd in gesprek gaan met ouders, leerkrachten en andere betrokkenen. Zij hebben via de medezeggenschap inspraak bij dit besluit. Soms zijn er alternatieven voor sluiting.

Opheffingsnorm voor scholen

Het Rijk stelt een minimum aan het aantal leerlingen op een school. Dit heet de opheffingsnorm. Scholen met een leerlingenaantal dat 3 jaar op rij onder de opheffingsnorm valt, verliezen hun inkomsten. Dat betekent bijna altijd dat de school moet sluiten.

Opheffingsnorm basisschool

De opheffingsnormen voor het basisonderwijs zijn niet voor alle scholen hetzelfde. Dit is afhankelijk van de zogenaamde leerlingdichtheid in een gemeente. In dichtbevolkte gebieden kan voor een basisschool met ruim 200 leerlingen al sluiting dreigen. Terwijl voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente de minimale norm van 23 leerlingen geldt. 

Opheffingsnormen voortgezet onderwijs

Opheffingsnormen in het voortgezet onderwijs zijn afhankelijk van het onderwijsaanbod. Voor elke onderwijssoort geldt een andere norm. Ook scholengemeenschappen kennen weer andere normen. Dit hangt af van het aantal opleidingen. Meer informatie staat in de brochure Voorzieningenplanning en regionaal plan onderwijsvoorzieningen.

Rol medezeggenschapsraad bij sluiting

Bij een sluiting geeft de medezeggenschapsraad advies (adviesrecht). Wanneer een besluit gevolgen heeft voor leerlingen en personeel, moet de medezeggenschapsraad toestemming geven (instemmingsrecht).

Veel besturen kiezen ervoor om bij sluiting de school te fuseren met een andere school. In dat geval krijgt de samengevoegde school tijdelijk extra geld. Bijvoorbeeld om de overgang goed vorm te geven. Of om personeel op een verantwoorde manier te laten afvloeien. Voor een fusie is instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

Alternatieven voor sluiting basisscholen

Een schoolbestuur van een basisschool met te weinig leerlingen kan soms een beroep doen op een uitzonderingssituatie. De school hoeft dan niet te sluiten. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet het schoolbestuur elk jaar voor 1 februari de opheffing van de school melden bij DUO.

Het gaat hierbij om de volgende situaties:

  • Het gemiddeld aantal leerlingen van het schoolbestuur is hoger dan 10/6e maal de gewogen gemiddelde opheffingsnorm van de gemeente(n) in kwestie. Voorbeeld: is de opheffingsnorm 174 leerlingen, dan is de gemiddelde schoolgrootte 290 leerlingen.
  • De school is de enige van de geloofsrichting binnen een straal van 5 kilometer. En heeft ten minste 50 leerlingen.
  • De school is de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer over de weg gemeten. En heeft ten minste 23 leerlingen.

Er zijn er nog andere mogelijkheden om een school of vestiging te houden:

  • Het is mogelijk om na een fusie de school die sluit, verder te laten gaan als nevenvestiging. Deze school krijgt dan wel minder geld. Zie ook de plannen van het kabinet met vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs.
  • Het schoolbestuur kan een overeenkomst voor samenwerking sluiten met 1 of meer besturen in een aangrenzend gebied. Zoals in artikel 157 van de Wet op het Primair onderwijs staat.
  • Het bestuur kan de school overdragen aan een ander bestuur. Als het andere bestuur grotere scholen heeft, kan dat bestuur de school misschien openhouden vanwege bijzondere wetgeving (de gemiddelde schoolgrootte).
  • De school kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vragen toch open te mogen blijven. Dit geldt enkel voor basisscholen die in stand worden gehouden op basis van de gemiddelde schoolgrootte. En die onder het minimum van 23 leerlingen komen. De minister beoordeelt dan of de kwaliteit van de school in orde is. En of de school binnen afzienbare termijn boven de 23 leerlingen uit kan komen. De ligging van de school en scholen in de omgeving, kan invloed hebben op het besluit.

Alternatieven voor sluiting in het voortgezet onderwijs

Als scholen uit het voortgezet onderwijs onder de opheffingsnorm vallen, kunnen zij soms een beroep doen op de uitzonderingspositie. Zie artikel 108 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Scholen hoeven dan niet te sluiten. Dit is alleen mogelijk voor heel bijzondere situaties. Bijvoorbeeld als het gaat om een school op 1 van de Waddeneilanden. Of als een voorgenomen fusie door speciale oorzaken toch een langere voorbereidingstijd vraagt.

Samenwerking tussen scholen in het voortgezet onderwijs

Samenwerking tussen scholen kan een alternatief zijn voor sluiting. Mogelijkheden:

  • Scholen vormen een netwerk om elkaar te helpen. Denk bijvoorbeeld aan gezamenlijk inkopen of kennis delen over personeelsbeleid. Ook kunnen ze het onderhoud aan gebouwen en ICT gezamenlijk aanpakken.
  • Scholen werken samen in het primaire proces. Zo kunnen zij onderwijsaanbod uitruilen, personeel delen of leerlingen uitbesteden.