Oprichten nieuwe school

Iedereen mag een school oprichten en deze naar eigen overtuiging inrichten. Dit staat in de Grondwet. Het is nu erg lastig om een nieuwe school te beginnen en daarvoor geld van de overheid te krijgen. Daarom past het kabinet de regels aan om nieuwe (openbare en bijzondere) scholen voor het basisonderwijs of voortgezet onderwijs te starten.

Waarom veranderen de regels bij het oprichten van een nieuwe school?

Met het huidige traject voor het starten van een nieuwe school komt het regelmatig voor dat nieuwe scholen het berekende leerlingenaantal niet halen. Of het verhindert dat nieuwe scholen kunnen starten waar juist wel voldoende belangstelling voor is. Het is nu bijvoorbeeld niet mogelijk om een boeddhistische school te starten. Dit is geen erkende richting, dus heeft deze school geen recht op geld van de overheid.

Ook het starten van een algemeen-bijzondere school voor Montessorionderwijs is bijvoorbeeld lastig als er in dezelfde gemeente al een algemeen-bijzondere school is die Daltononderwijs biedt. Beide scholen zijn verschillend en trekken andere ouders en leerlingen aan. Maar ze worden als gelijk gezien, omdat ze behoren tot dezelfde richting.

En een rooms-katholieke basisschool met een grote groep geïnteresseerde ouders kan niet starten, als er al andere rooms-katholieke basisscholen in de gemeente zijn. En als daarmee volgens de berekening volledig is voldaan aan de behoefte aan rooms-katholiek onderwijs.

Het is vrijwel onmogelijk geworden om een nieuwe school te starten. Daarom wil het kabinet de regels voor het starten van een nieuwe school aanpassen. En zo wil het kabinet ook het scholenbestand beter laten aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen.

Wat verandert er bij het oprichten van een nieuwe school?

Huidige situatie Wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen
Wat verandert er bij het oprichten van een nieuwe school?

Wie een nieuwe school wil starten, moet er rekening mee houden dat er:

  • voldoende leerlingen nodig zijn (op basis van voorspellingen).

De initiatiefnemer hoeft de betrokkenen niet uit te nodigen voor overleg.

Wie een nieuwe school wil starten moet eerst de betrokkenen uitnodigen voor overleg:

  • de bestaande schoolbesturen;
  • het samenwerkingsverband;
  • de gemeente.

Een overleg kan ertoe leiden dat een bestaande school de wensen van ouders en leerlingen inpast. Het starten van een nieuwe school is dan niet meer nodig.

Het starten van een bijzondere school kan alleen op basis van een erkende richting. Een school hoeft geen richting meer te hebben om te kunnen starten.

Bij de aanvraag voor een nieuwe school wordt de belangstelling berekend met een voorspelling. Deze voorspelling:

  • veronderstelt de belangstelling van ouders op basis van het bestaande onderwijsaanbod;
  • houdt geen rekening met de kenmerken van een school, zoals nabijheid, kwaliteit en onderwijsconcept.

Een aanvraag voor een nieuwe school moet in ieder geval bevatten:

  • een belangstellingsmeting, via ouderverklaringen of marktonderzoek. Op basis van de resultaten en demografische gegevens, wordt een voorspelling voor de lange termijn gemaakt. Zo kan de daadwerkelijke belangstelling preciezer worden berekend.
  • informatie over de te verwachten kwaliteit. De onderwijsinspectie toetst de aanvraag op eisen die inzicht geven in de te verwachten kwaliteit van de school.
Bestuurders en toezichthouders hoeven voor de start van een school geen VOG aan te leveren. Bestuurders en toezichthouders van een nieuwe school hebben een VOG nodig. En er wordt gekeken of de bestuurders in het verleden nooit een school hebben gehad die door zeer zwakke kwaliteit is gesloten.

De nieuwe regels gelden in heel Nederland. Dus ook in regio’s die kampen met leerlingendaling. Scholen die willen starten in gebieden waar het aantal leerlingen daalt, moeten een relatief grote belangstelling aantonen.

Vanaf wanneer gelden de nieuwe regels voor het oprichten van een nieuwe school?

De verwachting is dat de wet meer ruimte voor nieuwe scholen op 1 augustus 2019 ingaat. Maar daarvoor moeten eerst zowel de Tweede als de Eerste Kamer instemmen met het wetsvoorstel. Op de website van de Eerste Kamer kunt u de behandeling van het wetsvoorstel volgen.