Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

De Rijksoverheid wil voorkomen dat jongeren tussen de 12 en 23 zonder startkwalificatie van school gaan (voortijdig schoolverlaten). Zonder startkwalificatie hebben jongeren namelijk minder kans op de arbeidsmarkt. Het Rijk, scholen en gemeenten nemen samen maatregelen om jongeren weer naar school te helpen.

Oorzaken voortijdig schoolverlaten

In het schooljaar 2019/2020 waren er 22.785 voortijdig schoolverlaters. Een voortijdig schoolverlaters is een jongere die:

  • tussen de 12 en de 23 jaar oud is;
  • niet staat ingeschreven op een school;
  • geen startkwalificatie heeft (een diploma op minimaal mbo 2, havo- of vwo-niveau);
  • niet uit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs komt.

Jongeren gaan om verschillende redenen te vroeg van school. Vaak is het een combinatie van oorzaken die bijdragen aan de schooluitval, zoals:  

  • een verkeerde studiekeuze;
  • liever geld willen verdienen dan op school zitten;
  • persoonlijke en geestelijke problemen;
  • niet dezelfde verwachtingen over de opleiding tussen school en de leerling of student.

Jongeren die zonder startkwalificatie gaan werken hebben een grotere kans hun baan te verliezen dan een medewerker met een diploma. En ze hebben vaker flexibele banen, waardoor ze ook als volwassene weinig inkomen hebben.

Maatregelen tegen voortijdig schoolverlaten

De aanpak heeft drie onderdelen. Middelbare scholen en mbo-scholen voorkomen voortijdig schoolverlaten zoveel mogelijk zelf. Gemeenten benaderen jongeren als zij toch te vroeg van school gaan of veel spijbelen. Scholen en gemeenten werken ook samen in een regionaal plan met maatregelen. Alle regio’s hebben zo’n plan.
De Rijksoverheid trekt geld uit voor deze aanpak.

Voortijdig schoolverlaten voorkomen op de middelbare school en het mbo

De Rijksoverheid moedigt middelbare scholen aan met prestatiemiddelen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Een middelbare school krijgt bijvoorbeeld extra geld als die minder dan een bepaald aantal schoolverlaters heeft. De Rijksoverheid heeft hiervoor normen bepaald. Middelbare scholen krijgen jaarlijks ongeveer € 17 miljoen.

Mbo-instellingen nemen zelf maatregelen om de kwaliteit van het onderwijs en passende begeleiding van scholieren te verbeteren. Die staan in de kwaliteitsagenda’s. Mbo-scholen en de Rijksoverheid hebben afgesproken dat  aandacht uitgaat naar  jongeren in een kwetsbare positie en kansengelijkheid. Mbo-instellingen bepalen zelf hoe zij het geld besteden. Een onafhankelijke commissie beoordeelt het plan van elke mbo-school.

Regionale meld- en coördinatiefunctie van gemeenten

Gemeenten hebben een wettelijke taak om vsv tegen te gaan: de Regionale- Meld en Coördinatiefunctie (RMC-functie). De mensen die deze taak uitvoeren heten RMC-consulenten (adviseurs). De RMC-consulenten begeleiden schoolverlaters terug naar school. Ze zoeken contact door bijvoorbeeld op bezoek te gaan, te bellen of een brief te sturen. En moedigen de jongeren aan om het diploma toch te halen. Als dit niet haalbaar blijkt, begeleiden de RMC-consulenten de jongeren naar werk of een andere dagelijkse activiteit. Zoals behandeling in een zorgtraject of vrijwilligerswerk.
De consulenten zoeken ook contact met jongeren die veel spijbelen. Want spijbelen is soms een voorteken van schooluitval.

Ze werken behalve met scholen veel samen met gemeenten en zorgorganisaties. De taak van de zorgorganisaties is om jongeren te begeleiden met persoonlijke en geestelijke problemen. Zo helpen zij mee om vsv te voorkomen.

Gemeenten krijgen jaarlijks bijna € 37 miljoen om de RMC-functie uit te voeren.

Regionale samenwerking scholen en gemeenten

In het regionaal plan staat welke maatregelen scholen en gemeenten samen inzetten om vsv tegen te gaan.

De meest voorkomende maatregelen zijn:

  • Extra begeleiding op scholen voor jongeren die meer ondersteuning nodig hebben. Bijvoorbeeld door docenten, hulpverlening of jongerenwerkers, die in gesprek gaan met de jongeren om advies te geven.
  • Overstapcoaches bieden hulp aan jongeren die moeilijk tot een goede studiekeuze komen.
  • Jongeren hulp bieden na schooluitval. Bijvoorbeeld met onderzoek naar een nieuwe opleiding of werk. Of met persoonlijke problemen. Regio’s geven jongeren hiervoor trainingen op het gebied van zelfkennis, gedrag en sociale ervaring opdoen.
  • Afwezigheid op school aanpakken. Als een jongere zich vaak afwezig of ziek meldt, is er misschien meer aan de hand .
  • Scholen, gemeenten, hulpverleners en jeugdartsen werken samen om jongeren weer zo veel als mogelijk naar school te laten gaan.

De Rijksoverheid stelt jaarlijks € 49,6 miljoen beschikbaar voor het regionale vsv-programma. Gemeenten krijgen daar € 19,2 miljoen van, mbo-scholen € 30,4 miljoen. Gemeenten en scholen maken voor de besteding van dit geld een gezamenlijk plan. Op dit moment lopen de plannen van 2021 tot en met 2024.

Doelen aanpak voortijdig schoolverlaten

De Rijksoverheid wil drie doelen halen met de aanpak voortijdig schoolverlaten:

  1. Minder schooluitval. De Rijksoverheid wil in 2024 maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters hebben. Dat zijn er ongeveer 3000 minder dan de hoeveelheid schoolverlaters in schooljaar 2019-2020.
  2. Voortijdig schoolverlaters terug naar school of naar werk begeleiden.
  3. Jongeren in een kwetsbare positie helpen bij de overgang naar vervolgonderwijs of met een baan vinden.