Toespraak minister-president Rutte bij Nationale Holocaustherdenking

Toespraak van minister-president Mark Rutte tijdens de Nationale Holocaustherdenking in Amsterdam op 28 januari 2024.

In 1985, 40 jaar na de bevrijding, zei de toen hoogbejaarde Abel Herzberg in een aangrijpend televisie-interview, broos en breekbaar, zoekend naar woorden:

Je begrijpt het niet als je er niet bent geweest. En als je er wel geweest bent, begrijp je het ook niet. Je begrijpt het niet.

Dus zelfs Abel Herzberg, die als holocaustoverlevende na de oorlog als geen ander woorden wist te geven aan de hel van de kampen, – zelfs hij moest in die laatste jaren van zijn veelbewogen leven concluderen: ik begrijp het niet.

De intense, ongeremde haat.

De rechteloosheid.

De ontmenselijking.

De gewelddadigheid en het pure sadisme.

De industriële schaal.

De nietsontziende moordzuchtige drang een heel volk te vernietigen – van de aardbodem weg te vagen.
 

De intense, ongeremde haat. De rechteloosheid. De ontmenselijking. Het was er toen. En het is er nog steeds.

Het is ook niet te begrijpen. En toch…

Het was er toen. En het is er nog steeds. U weet waar ik op doel.

We kunnen bij deze Holocaustherdenking, 79 jaar na de bevrijding van Auschwitz, niet om 7 oktober heen. De dag waarop de Joodse wereldgemeenschap voor de zoveelste keer in de geschiedenis werd geconfronteerd met een doelbewuste en geregisseerde moordpartij.
Met gijzeling, verkrachting en verminking als de meest smerige wapens om angst en terreur te zaaien.

En met kort daarna een golf van anti-Joodse reacties die er, ook in ons land, toe leidde dat scholen en synagogen beveiligd moeten worden. Dat mensen zich onveilig voelen.

Weer die dreiging. Weer het schurende gevoel van over je schouder moeten kijken. Weer openlijk antisemitisme. Alsof ‘nooit meer Auschwitz’ een holle frase is geworden.

Alles in ons schreeuwt: dit mag niet. Dit kan niet. Dit mogen we niet toestaan. En we zullen het niet toestaan.

Hier – deze beladen plek en dit gedragen moment vragen om duidelijkheid. Ik ga morgen en alle dagen daarna weer met iedereen in gesprek over de oorlog in Gaza. Dat open en kritische gesprek moet worden gevoerd – ook over en met Israël.

Maar niet vandaag. Niet op de dag dat we de 6 miljoen slachtoffers van de holocaust herdenken.

En niet hier, bij de kwetsbare gebrokenheid van het Spiegelmonument. Vandaag staan we stil bij het afschuwelijke lot van meer dan 100.000 Joodse Nederlanders en ruim 200 Nederlandse Roma en Sinti die werden vermoord om wie zij waren.

Vandaag eren wij hun nagedachtenis. En dat kunnen we niet beter doen dan door ons uit te blijven spreken –  tegen haat en uitsluiting, tegen de dreiging van geweld, tegen antisemitisme. Door alert te blijven. Door in ons handelen de vrede, de menselijkheid, de verdraagzaamheid te dienen.

We herdenken om uiting te geven aan een eeuwigdurend verdriet, als eerbetoon, en als waarschuwing.

Dames en heren, in de Joodse cultuur is het doorgeven van tradities een kernpunt. Le dor wa dor – van generatie op generatie.

Het belang daarvan, die plicht, geldt voor ieder van ons, Joods of niet-Joods, nu het moment nadert dat ook de allerlaatste overlevenden van de kampen niet meer onder ons zullen zijn. We moeten blijven herdenken – vanwege het verleden én vanwege het heden.

En, voeg ik daar vanochtend aan toe: we moeten de kennis over de Holocaust blijven overdragen aan jonge mensen. Van generatie op generatie.

We herdenken niet om het ooit te kunnen begrijpen – dat kan niet. We herdenken om uiting te geven aan een eeuwigdurend verdriet, als eerbetoon, en als waarschuwing.

Dank u wel.