Financiering aanpak onderwijsachterstanden

Om voorschoolse en vroegschoolse educatie (vve) aan te bieden, krijgen gemeenten en scholen geld van de Rijksoverheid. De overheid verdeelt dat geld in 2019 volgens een nieuwe regeling. Deze houdt rekening met meer kenmerken uit de omgeving van het kind. Verder hoeven scholen minder gegevens vast te leggen.

Financiering voorschoolse educatie

De Rijksoverheid geeft gemeenten geld voor voorschoolse educatie op de kinderopvang. Sinds 1 januari 2019 is daarvoor een nieuwe regeling. Tot en met 2018 kregen gemeenten dit geld gebaseerd op een berekening uit 2009.

In totaal is hiervoor vanaf 2020 jaarlijks € 490 miljoen beschikbaar. Elke gemeente met 1 kind in de doelgroep ontvangt geld. Dat bedrag is voldoende om een groep met 8 kinderen voorschoolse educatie aan te bieden.

Financiering vroegschoolse educatie en onderwijsachterstand op de basisschool

De Rijksoverheid geeft scholen geld voor de aanpak van onderwijsachterstand op de basisschool. Tot en met het schooljaar 2018/2019 gebeurde dat volgens de ‘gewichtenregeling’. Het opleidingsniveau van de ouders of verzorgers bepaalde het zogenoemde gewicht dat een school toekent aan een leerling.

Sinds 1 augustus 2019 wordt het geld verdeeld volgens een nieuwe regeling. De nieuwe regeling voorkomt fouten van scholen. Er is minder administratie nodig. En de verdeling van het geld voor de bestrijding van onderwijsachterstanden is gebaseerd op meer actuele cijfers.

In totaal is er voor scholen € 260 miljoen beschikbaar in de lumpsum. Scholen ontvangen geld als de problematiek van een bepaalde grootte is.

Bepalende kenmerken in de nieuwe onderwijsachterstandenregeling

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onderzocht wanneer een kind een onderwijsachterstand kan oplopen. Het CBS vond daarvoor 5 belangrijke factoren:

  • het opleidingsniveau van beide ouders;
  • het herkomstland van de moeder;
  • de verblijfsduur van de moeder in Nederland;
  • het gemiddelde opleidingsniveau van alle moeders op de school;
  • of de ouders in de schuldsanering zitten.

In de nieuwe regeling bepalen deze kenmerken hoe de overheid het beschikbare geld voor gemeenten en scholen verdeelt. Het CBS doet hiervoor de berekening. Scholen hoeven dan niet langer het opleidingsniveau van de ouders van hun leerlingen bij te houden.

Overgangsregeling voor scholen en gemeenten

Door de nieuwe regeling wordt het beschikbare geld voor de aanpak van onderwijsachterstand anders verdeeld. Sommige scholen en gemeenten zullen meer geld krijgen. Andere scholen en gemeenten krijgen juist minder. Daarom komt er een overgangsregeling, waarbij de uitkering in 3 gelijke stappen daalt:

  1. In het 1e jaar wordt het verschil tussen het oude en nieuwe budget voor 75% meegenomen.
  2. In het 2e jaar wordt het verschil tussen het oude en nieuwe budget voor 50% meegenomen.
  3. In het 3e jaar wordt het verschil tussen het oude en nieuwe budget voor 25% meegenomen.

In het 4e jaar is het budget gebaseerd op de nieuwe regeling.