Studiefinanciering voor studenten op een hogeschool en universiteit

Studenten op een hogeschool of universiteit hebben tot hun 30e recht op studiefinanciering. Dit krijgen zij meestal voor de officiële duur van hun opleiding. Ook is er financiële ondersteuning, met het levenlanglerenkrediet, voor mensen die willen doorleren na hun opleiding of studie.

Voorwaarden voor studiefinanciering

Studenten op het hbo of de universiteit moeten voldoen aan een aantal voorwaarden voor studiefinanciering. Zo moeten zij een voltijds of duale opleiding volgen die ten minste 1 jaar duurt. En jonger zijn dan 30 jaar op het moment dat hun studiefinanciering ingaat.

Onderdelen van studiefinanciering

De studiefinanciering voor studenten op het hbo en de universiteit bestaat uit een:

  • Lening

    Studenten kunnen tegen voordelige voorwaarden een lening afsluiten bij de overheid. Ze zijn niet verplicht om deze lening af te sluiten. Ze kunnen er ook voor kiezen hun opleiding op een andere manier te financieren. Na hun opleiding moeten studenten binnen 35 jaar de lening terugbetalen.
  • Aanvullende beurs

    De aanvullende beurs is bedoeld voor studenten met ouders die weinig of minder kunnen bijdragen aan de studie van hun kind. Er wordt daarbij gekeken naar het inkomen van de ouders. Deze studenten kunnen maximaal € 396,39 per maand krijgen. Ook studenten met broers of zussen die studeren of naar school gaan, kunnen hier recht op hebben. Via DUO kunnen studenten en hun ouders berekenen hoeveel aanvullende beurs studenten kunnen aanvragen.
  • Reisproduct voor de ov-chipkaart

    Studenten hebben recht op een reisproduct voor de officiële duur van hun opleiding + 1 jaar. Studenten die een opleiding volgen van 4 jaar, hebben dus 5 jaar recht op een reisproduct. Zij kunnen kiezen voor een weekabonnement of weekendabonnement. Studenten moeten het reisproduct laden op een persoonlijke ov-chipkaart.
  • Collegegeldkrediet

    Het collegegeldkrediet is een lening om het collegegeld te betalen. De hoogte van het krediet hangt af van de hoogte van het collegegeld dat de student moet betalen. Studenten kunnen ook collegegeldkrediet aanvragen voor een private opleiding. Deze opleiding moet dan wel een accreditatie hebben.

Studiefinanciering bij overstap van mbo naar hbo

Studenten die overstappen van het mbo naar het hbo kunnen opnieuw studiefinanciering krijgen. De studiefinanciering die zij op het mbo hebben gekregen, telt niet mee voor het hbo. Overgestapte studenten hebben dus recht op volledige studiefinanciering die bij een hbo-studie geldt. Opgebouwde schulden blijven wel staan. 

Aanvullende beurs en reisproduct onderdeel van prestatiebeurs

Het reisproduct en de aanvullende beurs zijn een prestatiebeurs. Ze worden pas een gift onder bepaalde voorwaarden:

  • wanneer een diploma wordt behaald voor hbo of universiteit
  • wanneer dit diploma wordt behaald binnen 10 jaar. Die 10 jaar gaan in vanaf de 1e maand dat studiefinanciering is ontvangen voor hbo of universiteit.

Als het diploma niet wordt behaald, moet de prestatiebeurs terugbetaald worden. Dit geldt niet voor de eerste 5 maanden aanvullende beurs. Deze maanden aanvullende beurs vallen niet onder de prestatiebeurs en zijn een gift.

Nog niet geslaagd of toegelaten

Wacht je op de uitslag van je eindexamen? Of weet je nog niet of je bent toegelaten tot een opleiding? Vraag dan studiefinanciering aan voor de opleiding die je van plan bent te gaan doen. Ben je gezakt of ga je een andere opleiding volgen? Geef die wijziging dan zo snel mogelijk door via Mijn DUO.

Levenlanglerenkrediet

Studenten die geen recht hebben op studiefinanciering, kunnen onder voorwaarden het levenlanglerenkrediet aanvragen. Dit geldt voor studenten tot 55 jaar aan de universiteit, het hbo of mbo bol in Nederland. Het krediet is maximaal 5 keer het bedrag aan wettelijk collegegeld of lesgeld. Studenten kunnen dit bedrag lenen voor de duur van hun opleiding. Na hun opleiding moeten studenten het krediet binnen 15 jaar terugbetalen.

Studiefinanciering voor studenten die voor 1 september 2015 zijn gestart

De basisbeurs is in het studiejaar 2015/2016 voor studenten in het hoger onderwijs afgeschaft. Nieuwe studenten krijgen sindsdien geen beurs meer van de overheid, maar kunnen een lening afsluiten. Studenten die voor 1 september 2015 al met hun opleiding zijn begonnen en daarvoor studiefinanciering kregen, hebben voor die opleiding recht op een basisbeurs. Ook kunnen zij een aanvullende beurs, reisproduct en collegegeldkrediet krijgen en geld lenen.

De hoogte van de basisbeurs hangt af van de woonsituatie van de student: uitwonend of thuiswonend. Als ze een basisbeurs krijgen, is er een maximum aan wat studenten mogen bijverdienen.

De basisbeurs is onderdeel van de prestatiebeurs. Als studenten binnen 10 jaar na het begin van hun opleiding afstuderen, wordt de beurs omgezet in een gift. Dit geldt ook voor de aanvullende beurs en het reisproduct. De lening en het collegegeldkrediet moeten studenten altijd terugbetalen.

Studievoucher voor studenten in overgangsperiode

Studenten die tussen 2015-2016 en 2018-2019 zijn begonnen aan een bachelorstudie en in deze periode ook voor het eerst studiefinanciering hebben gekregen, krijgen na het behalen van hun bachelordiploma (in het hbo) of hun masterdiploma (in het wo) een voucher van € 2000. Deze studenten hebben niet volop kunnen profiteren van de investeringen in de kwaliteit van het onderwijs, terwijl zij wel gebruikmaken van de lening. De voucher mag 5 tot 10 jaar na afstuderen worden ingezet voor (delen van) geaccrediteerde opleidingen aan zowel bekostigde als niet-bekostigde instellingen. Op deze manier hoopt het kabinet ook een impuls te kunnen geven aan een leven lang ontwikkelen.

Investeren in de verbetering van onderwijskwaliteit

Het kabinet wil het geld dat is vrijgekomen door de afschaffing van de basisbeurs (de studievoorschotmiddelen) gebruiken om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Hogescholen en universiteiten maken samen met studenten, docenten en andere belanghebbenden kwaliteitsafspraken om de onderwijskwaliteit op hun instelling te verbeteren. Daarbij mogen ze zelf doelen en voornemens formuleren op zes thema’s: intensiever en kleinschalig onderwijs, onderwijsdifferentiatie, docentkwaliteit, meer en betere begeleiding van studenten, studiesucces en passende en betere onderwijsfaciliteiten. De plannen en de realisatie van de plannen worden getoetst door de NVAO. Als de minister besluit dat de plannen voldoende zijn, ontvangt de hogeschool of universiteit haar aandeel van de studievoorschotmiddelen.