Huisvesting asielzoekers met verblijfsvergunning

Asielzoekers met een verblijfsvergunning gaan deel uitmaken van de Nederlandse maatschappij. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wijst deze vergunninghouders toe aan gemeenten. Gemeenten moeten hen passende woonruimte aanbieden.

COA wijst vergunninghouders toe aan gemeenten

De Rijksoverheid bepaalt elk half jaar het aantal vergunninghouders dat gemeenten moeten huisvesten. Grotere gemeenten moeten meer asielzoekers huisvesten dan kleinere gemeenten. Om te bepalen bij welke gemeente de vergunninghouder past, heeft het COA informatie nodig.

Informatie die het COA nodig heeft

Het COA wil vergunninghouders zoveel mogelijk koppelen aan gemeenten waar zij de beste kans hebben om goed te integreren. Tijdens gesprekken met de vergunninghouder verzamelt het COA een informatie over de vergunninghouder. Deze informatie is belangrijk is voor de huisvesting in de gemeenten. En voor de integratieperspectieven van de vergunninghouder. Het gaat om:

  • grootte van het gezin;
  • land van herkomst;
  • taal;
  • bijzonderheden over de gezinshereniging;
  • beperkingen ten aanzien van de huisvesting;
  • aanwezigheid inschrijfbewijs studie;
  • opleiding;
  • werkervaring;
  • aanwezigheid arbeidscontract;
  • medische bijzonderheden;
  • netwerk;
  • toekomstplannen.

Tijdsduur huisvesting vanuit asielzoekerscentrum

Zodra een asielzoeker een verblijfsvergunning krijgt, heeft het COA 4 dagen de tijd om de vergunninghouder aan een gemeente te koppelen. Ook maakt het COA binnen 14 dagen het informatieprofiel. Gemeenten hebben gemiddeld 12 weken de tijd om woonruimte te vinden en de verhuizing te regelen. Voor woonruimte maken zij vooral gebruik van het woningaanbod van sociale huurwoningen van woningcorporaties. Daarna heeft de vergunninghouder 2 weken de tijd om daadwerkelijk te verhuizen. Zij gebruiken deze tijd onder andere om hun woning in te richten.

Bouw en verbouw extra woonruimte

De regering vindt het belangrijk dat er genoeg sociale huurwoningen zijn voor iedereen. Daarom is er de Tijdelijke regeling stimulering huisvesting vergunninghouders. Met deze regeling kunnen gemeenten, woningcorporaties en andere verhuurders subsidie aanvragen voor de bouw en verbouw van woonruimte. Hierdoor wordt de doorstroom van asielzoekers met een verblijfsvergunning van een asielzoekerscentrum (azc) naar een woning versneld. Een voorwaarde is dat er op de nieuwe plek minimaal 4 asielzoekers kunnen wonen.

Vergunninghouders die zo’n nieuwe huurwoning delen, kunnen ook de woonlasten met elkaar delen. Het bedrag dat ze daarmee besparen, wordt op hun uitkering ingehouden. Ook kunnen vergunninghouders die zo samenwonen geen aanspraak maken op huurtoeslag.

Zelf woonruimte kiezen

Gemeenten moeten zorgen dat mensen met een verblijfsvergunning (vergunninghouders) woonruimte krijgen. Dat kan een zelfstandige (huur)woning zijn of een met meer mensen gedeelde woning. Vaak doen gemeenten een beroep op sociale huurwoningen van woningcorporaties.

Een vergunninghouder mag ook zelf naar woonruimte zoeken.

Een gemeente bepaalt zelf of vergunninghouders recht hebben op voorrang bij een sociale huurwoning. Dit regelt de gemeente in een huisvestingsverordening. Als er een voorrangsregeling is, dan geldt het alleen in de gemeente waaraan het COA de vergunninghouder koppelt.

Logeerregeling

Vergunninghouders die nog in een AZC wachten op permanente woonruimte vanuit de gemeente, mogen zelf voor een tijdelijk verblijfadres zorgen. Dit mag maximaal 3 maanden, bijvoorbeeld bij vrienden of familie. De vergunninghouder krijgt daarvoor een vergoeding. Gemeenten regelen dit via een logeerregeling.

Kabinet Rutte III: woningaanbod voor verschillende doelgroepen en inkomens

Het kabinet wil een passend woningaanbod voor mensen met verschillende inkomens. Ook moet bij de bouw van woningen rekening worden gehouden met verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld ouderen, gehandicapten, studenten en vergunninghouders. Dit staat in het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’.

Documenten